Hasil (
Bahasa Indonesia) 1:
[Salinan]Disalin!
3.5. De Agrarische Conferentie van 1957In september 1957 werd onder voorzitterschap van Gouverneur van Baalte Hollandia een conferentie gehouden, welke gewijd was aan het agrarischeontwikkelingsbeleid, dat voor de naaste toekomst zou moeten wordengevoerd. Behalve de staf van de Dienst van Economische Zaken namenook de Directeur van Binnenlandse Zaken en de Hoofden der bestuurlijkeAfdelingen aan de conferentie deel. Dit tekent reeds de aard van dezeconferentie, waarvan het centrale thema gelegen was in de vraagstelling,of en in hoeverre de traag verlopende agrarische ontwikkeling, steunendop proefstation-onderzoek, veldresearch en marktverkenning, versneld zoukunnen worden, nu ook het tempo der politieke ontwikkeling verhoogdwas.De ontwikkelingen sedert het optreden van de Agrarische Commissie gaven,zoals blijkt onder 3-4., zeker geen aanleiding tot de verwachting, dat debevolkingsproductie een markante toeneming te zien zou geven.Een perspectief op kortere termijn moest worden geopend voor de welvaartsdrangvan de bevolking; het besef, dat het Nederlandse bewind niet overonbeperkte tijd kon beschikken om agrarische ontwikkelingsplannen voor tebereiden, won steeds meer veld. Men kwam in sommige gevallen voorts „totde benauwende conclusie, dat de kosten van onderzoek wellicht ver uitgaanboven de productieverhoging, die men van het betrokken project kanAGRARISCHE CONFERENTIE 125verwachten" en vroeg zich af, of de oude methode van „trial and error"niet de voorkeur verdiende.De vraag kwam derhalve aan de orde, welke intensiteit het voorafgaandeonderzoek moest bezitten. Men ontkende niet, dat aan kapitaalintensieveprojecten (zoals het Rijstbedrijf-Koembe) een diepgaand landbouwkundig,bodemkundig, cultuurtechnisch en economisch onderzoek diende vooraf tegaan. De vraag was wél, of deze research zinvol moest worden geacht voorbevolkingslandbouwprojecten, die op een minder kapitaalintensieve grondslagzouden berusten. Op de conferentie werd de wens geuit de agrarischeresearch in Westelijk Nieuw-Guinea zo sterk mogelijk op de praktijk terichten.„Wellicht in strijd met de proefstations-traditie, moeten reeds tijdenshet onderzoek gegevens en deelresultaten, zo mogelijk onder opgavevan de mate van zekerheid der uitspraken, ter beschikking van deAfdeling Landbouw worden gesteld. Op grond hiervan kan de AfdelingLandbouw, met de risico-factoren duidelijk voor ogen, in eenvroeger stadium met de uitvoering van haar plannen beginnen, zodathet tempo van de landbouwkundige ontwikkeling gunstig kan wordenbeïnvloed."50Men beoogde dus op zo kort mogelijke termijn over resultaten van hetonderzoek te beschikken, welke een voldoende basis zouden kunnen vormenom de agrarische ontwikkeling te intensiveren. Het is duidelijk, dat daarbijals eis werd gesteld, dat de bevolking zélf zich extra inspanningen zougaan getroosten om productievermeerdering op korte termijn te bereiken.De activerende rol van het Binnenlandse Bestuur werd onderstreept metname t.a.v. traditionele exportgewassen als copra. De aanmoediging van deklapperaanplant in daarvoor in aanmerking komende kuststreken werd bijwijze van practische taakverdeling toevertrouwd aan de plaatselijke bestuursambtenaar,zoals b.v. reeds in Teminaboean geschiedde, waar 50 ha klapperaanplantwerd aangelegd door de dorpsbevolking, zonder dat er een landbouwambtenaaraan te pas kwam. De taak van de landbouwambtenaar wasdaarbij beperkt tot de levering van geselecteerd plantgoed. Een jaarlijksetoeneming van het klapperareaal met rond 700 ha (7%) werd mogelijkgeacht.Van even zo groot belang was de conclusie, dat de oprichting van Gouvernementsondernemingen„een uitweg voor het probleem van de productieverhoging"zou kunnen betekenen; het primaire doel zou echter blijven tot50) vgl. literatuurlijst No. 24126 PLAN EN PROGRAMvorming van autochtone gezinsbedrijven te geraken. Dergelijke ondernemingenzouden ook werkgelegenheid kunnen bieden aan getransmigreerdearbeiders uit streken, welke geen economisch ontwikkelingsperspectief boden.Neven-doeleinden van de gouvernementsonderneming zouden zijn de verhogingvan de arbeidsdiscipline, alsmede betere voeding en hygiëne voor hen,die op deze ondernemingen tijdelijk werkzaam zouden zijn.Het verslag sprak van een overmaat aan voor cultures geschikte gronden,die in sommige schaarsbevolkte gebiedsdelen voorkomen en die bij vestigingvan (op migratie steunende) gouvernementsondernemingen sneller en opmeer efficiënte wijze productief konden worden gemaakt (b.v. in de Grime/Sekoli-vlakte 20.000 ha; in de Onderafdeling Sarmi 8.000 ha). De vestigingvan gouvernementslandbouwbedrijven zou worden gekoppeld aan vestigingsprojectenvoor zelfstandige Papoea-landbouwers, die ten dele uit de groepvan loonarbeiders op de centrale onderneming zouden kunnen wordengerecruteerd. Men stelde zich voor op deze wijze ca. 20.000 ha in cultuurte brengen. De totale exportwaarde van handelsgewassen zou op deze wijzetot ƒ 15 miljoen per jaar stijgen.Een ander element van de taakverdeling op het terrein van de agrarischeontwikkeling vormde de beslissing, dat de stimulering van de menuverandering(eiwitverbruik) in eerste instantie zou moeten uitgaan van de Dienstenvan Gezondheidszorg en van Culturele Zaken. Voor een verwaarlozing vande voedselproductie als gevolg van een forsere aanpak van de teelt vanhandelsgewassen was de Conferentie niet bevreesd. De bevolking plant uitzichzelf veelal voedselgewassen tussen aanplantingen van handelsgewassen,zo werd geconstateerd en men vertrouwde, dat zij zélf het evenwicht zouvinden tussen beide landbouwvormen.Een belangwekkend aspect van de Conferentie was ook de bespreking vande mogelijke introductie van bevolkingsrubber in het Moejoe- en Mappigebied,welke daartoe naar het oordeel van de landbouwkundigen gunstigemogelijkheden zouden bieden. Voor het klaarblijkelijke succes, dat men metdit project — althans in de eerste fase van ontginning en aanplant — boekte,zou ik de volgende oorzaken willen aanwijzen:a.b.de ambitieuze economische instelling van de bevolking met name in hetMoejoe-gebied, welke wilde breken met de traditionele levenswijze enwesterse consumptie-artikelen begeerde. Hierbij bleek, dat de beschavingsarbeiddoor de R.K. Missie van Zuid Nieuw-Guinea ook op economischterrein niet zonder resultaat was gebleven;de actieve medewerking van het Apostolisch Vicariaat van Merauke,AGRARISCHE CONFERENTIE 127c.d.welke grote invloed had op de aanvaarding van het project door debevolking;de intensieve voorlichtingscampagnes, gevoerd door de Landbouwvoorlichtingsdiensten door het Binnenlandse Bestuur;de penetratie van de geldhuishouding in de rubberstreken. De wegaanleggeschiedde in loonarbeid, de tuinaanleg met crediet van hetGouvernement (ƒ500 per ha). Door de grote geldinjecties, waarmedede uitvoering van het handelsgewassen-wegenproject gepaard ging, werdde periode overbrugd tussen aanplant en eerste geldopbrengsten derrubbertuinen.51 Door het voortdurend rouleren der deelnemers aanhet project verkreeg deze monetaire penetratie bovendien een grotespreiding in de betrokken Onderafdelingen Moejoe, Boven-Digoel,Mappi en Merauke.Toen de planten in de rubberkwekerijen te Tanah-Merah, Badé, Kepi,Mindiptanah e.d. goed bleken te gedijen, werd begin 1961 de bevolkingsaanplantvan rubber in Zuid Nieuw-Guinea met grote voortvarendheid terhand genomen. In oktober 196152 had de bevolking reeds 950 ha verkavelden gekapt. Het aantal deelnemende dorpen bedroeg ca. 85 en hetaantal deelnemers was 2.640. In het eerste kwartaal van 1962 werd meerdan 500 ha met rubber beplant in Zuid Nieuw-Guinea. De planning werdtoen gericht op de aanplant van 7.000 ha tussen 1962 en 1967. In volleproductie gekomen, moest deze aanplant per jaar 5.250 ton droge rubberleveren (750 kg per ha). Het hoge planttempo mocht, gezien het door debevolking aan de dag gelegde enthousiasme, zeker reëel worden genoemd.In 1964 zou in Badé het eerste remilling-bedrijf gevestigd worden met eenproductiecapaciteit van ca. 1.000 ton droge rubber. Dergelijke rubberfabriekenmoesten later ook gevestigd worden in Tanah-Merah, Getentiri enMindiptanah. Deze bedrijven zouden de door de bevolking geleverde „slabs"verwerken tot „blanket-crêpe". Men rekende voor 1970 reeds op een productievan ruim 2.200 ton droge rubber uit de gedeeltelijk in productie gekomenbevolkingstuinen. Eenmaal in volle productie gekomen zou het rubberareaalvan 7.000 ha naar schatting een exportopbrengst leveren van 5.250 xƒ 1.350 = rond ƒ 7 miljoen. De ca. 3.500 rubberbedrijfjes, gesteld opgemiddeld 2 ha, mochten elk dan rekenen op een geldinkomen uit rubberproductievan 2 x 750 x ƒ 0,70 = rond ƒ 1.000 per jaar. Ik ga daarbij uit51) vgl. literatuurlijst No. 72 (Memorie van Toelichting begroting vanNed. Nieuw-Guinea voor het dienstjaar 1962, pag. 21)52) vgl. literatuurlijst No. 23 (uitgave van 17 oktober 1961)128 PLAN EN PROGRAMvan de veronderstelling, dat 50% — 60% van de exportopbrengst toe zouvallen aan de producenten.Voor de uitvoering van het handelsgewassen-wegenproject was in 1961 eenbedrag van ƒ 1 miljoen uitgetrokken op de begroting van de Dienst vanEconomische Zaken, terwijl dit bedrag in 1962 reeds tot ƒ 2,7 miljoen wasopgelopen.53 Dit bewees het vertrouwen, dat de Overheid koesterde in hetwelslagen van het project. Een deel van de overheidsinvesteringen, geschatop ƒ 10 miljoen tot 1966, zou — afgezien van de terugbetaling van decredieten voor tuinaanleg — in de overheidskas terug moeten vloeien, bijv.door de heffing van een exportrecht op rubber van ca. 10%. Daarmede zoude opzet van soortgelijke „handelsgewassen-wegenprojecten" in anderestreken financieel mogelijk worden gemaakt.Voor bosproducten werd op de Agrarische Conferentie van 1957 een soortgelijkstandpunt ingenomen als ten aanzien van de productie van landbouwgewassen.De vestiging van gouvernementsonderneminge
Sedang diterjemahkan, harap tunggu..
